Mijn Heem

 

 

Gedicht: Dr. Jozef Weyns

Muziek: Gaston Feremans

 

Het huis waar moeder zong van louter vlijt,
De wijding hing van vaders zwijgzaamheid,

Waar dopen haard nog niet had uitgediend,

De bornput met een zwik nog werd bediend,

De appelbloesem over t hofpad kwam,

de bakhuisgeur u op een droomtocht nam

 

Keerzang

 

Mijn heem, hoe dierbaar is muw aangezicht,
Uw mildheid waar geen grens rond ligt.
Mijn geest, mijn hart, hebt gij gevormd gevuld,

met rijkdom, vre, geborgenheid omhuld.

 

Mijn dorp, uw kerkhof lag nog rond ke kerk.

Ik hoor de smid weer smedend aan zijn werk.

Nog zie k de molen langs ons schoolpad staan,

De buurvrouw kantgekapt ter kerke gaan.

De korenbloesem wolkt weer over t veld,

De avondklok de dag heeft afgeteld.

 

Mijn land, hoe wislend is uw oud gelaat,

Met weidenweelde, bos en heibrokaat.

Ginds vruchtbaar groenend en hier zandig schraal,

Maar toch heeft elke stad een kathedraal.

Stadhuizen wrocht gij als een pronkjuweel,

Uw schoonste prinsen voerden het penseel.